MISC

 

INHOUD:

-Bronnen Beginnelingen

-Pippi Langkous (Knack dec.2021)

-Het geweer in het foedraal (Kantl nov.2021)

-Ovidius als Raadgever (CC Leuven, febr.2020)

-Vangen/Ontvangen (Poëziecentrum maart 2020)

-Covid 19 (Passa Porta april 2020)

-Geduld (Plint april 2020)

 

English:

-Excerpt from the novel Here

-Covid19

 

BRONNEN Beginnelingen

 

1000 talen van de wereld, P.K. Austin, Amsterdam, 2009

Ada Lovelace, the making of a computer scientist, Chr. Hollings e.a., Chicago, 2018

Ain’t I a woman, B. Hooks, Londen, 1987

Als ik weer kind ben, J. Korczak, Utrecht, 1999

An artistic exile, A life of Feng Zikai G.R. Barme, Berkeley, 2002

Anton de Kom, R. Woortman, A. Boots, Amsterdam, 2016

Audrey Hepburn, I. Woodward, Londen, 1993

Audrey, the real story, A. Walker, New York, 1997

Birth Certificate, The story of Danilo Kis, M. Thompson, Ithaca, 2013

But some of us are brave, G.T. Hull e.a., New York, 2015

Daughter of Isis, Nawal el Saadawi, Londen 2018 (1999)

De verschrikking van de nacht, Ooggetuigen van de slag om Arnhem, T. Sheldon, Utrecht, 2015

Een schitterend vergeten leven, T. Boumans, Amsterdam, 2015

Frida Kahlo, C. Schaefer, Westport, 200

Frida, a biography of Frida Kahlo, H. Herrera,New York, 1983

Frida Kahlo, con amor, brieven, red. R. Tibol, Amsterdam, 2007

Gabriel García Márquez, a life, G. Martin, New York, 2008

Gabriel García Márquez, biografie D. Saldívar, Amsterdam, 1997

Gabriel García Márquez, Leven om het te vertellen, Amsterdam, 20O3

George Sand, de geschiedenis van mijn leven, Amsterdam, 1998

George Sand, M. Reid, Parijs, 2013

Geschiedenis van Suriname, H. Buddingh, Amsterdam, 2017 (herz. uitg.)

Geschiedenis van Suriname, L. Dalhuisen e.a., Amsterdam, 2007

Herinneringen van een vrouwelijke arts, Nawal El Saadawi, Amsterdam, 2007

Het napalmmeisje, Kim Phuc Phan Ti, Utrecht, 2017

Het Nederlandse Meisje R. Matzen, Amsterdam, 2019

Hirosjima, J. Hersey, Amsterdam, 1947

History of Long Island N Scudder, New York, 1845

Hoe ruim een kooi ook is, E. Keesing, Amsterdam, 1996

How Rutgers University is connected to Sojourner Truth, Helene Van Rossum, New Jersey,2017

In Byrons wake, the turbulent lives of Lord Byron’s wife and daughter M. Seymour, Londen enz., 2020

Ingmar Bergman A critical biography, P. Cowie, New York, 1982

Janusz Korczak, W. Pelzer, Hamburg, 1987

Kartini, brieven aan mevrouw R M Abendanon-Mandri, gebracht dr F.G.P. Jaquet, 1987

Kartini, door duisternis tot licht,1912

Kartini, pionierster van de Indonesische onafhankelijkheid en vrouwenemancipatie, S. Soeroto, Franeker, 1977

Kinderleed, Danilo Kis, (Reina Dokter), Amsterdam, 1989

Lanterna Magica, Ingmar Bergman, Amsterdam, 1987

L’émancipation de la femme Indonesienne, C. Vreede-de Stuers 1957

Lowitja, The authorized biography, S. Rintoul, Crows Nest, 2020

Meer licht over Kartini, H. Bouman, Amsterdam, 1954

Mercedes Sosa more than a song, A. Christensen, New York, 2019

Mercedes Sosa la negra, R. Bracelli, Buenos Aires, 2003

Pelé, The autobiography, E. Arantes do Naciménto, Londen, 2007

Pelé, his life and times, H. Harris, Londen, 2018

Persoonlijke herinnering aan Raden-Atjeng Kartini, M. Ovink, Amsterdam 1925

Prisma Wortubuku Sranantongo, Amsterdam, 2005

Reizen met Charley, J. Steinbeck, Amsterdam, 2014 (9)

Sämtliche Werke, Janusz Korczak, Gütersloh, 2010

Sojourner Truth, a life a symbol, N.I.Painter, New York, 1996

The calculating passion of Ada Byron, J. Baum, Calif.,1986

The girl in the picture, D. Chong, 2001

The king of children, B. Lifton, New York, 1997

The narrative of Sojourner Truth, O. Gilbert, Hawthorne, 2008

The story of Ruby Bridges, R. Coles, 2010

Through my eyes, Ruby Bridges, New York, 1995

Unbowed, a memoir, Wangari Maathai, New Orleans, 2006

Walking through fire, N. el Saadawi, Londen, 2002

We are all the same, J. Wooten, New York, 2004

Wij slaven van Suriname, Anton de Kom, Amsterdam, 1999 (1934)

 

 

Andere bronnen o.a. internet/gesprek/interviews youtube/Nobelprize.org/The black Archives/www.georgesand.culture. Fr/kidsrights.org/biografie bulletin/ASSEHR nov. 2019/The encyclopedia of women&leadership in twentieth-century Australia/history.com/historiek.net/…

 NB. Ik las dat het verzetswerk van Audrey Hepburn werd ontkend wegens geen bronnen. Wat Audrey Hepburn zelf heeft verteld komt volledig overeen met wat een, eveneens in 1929 geboren, oom van mij vertelde over wat hij in WOII als puber deed, daartoe aangezet door het gezin van een vriendinnetje.

 

BERICHT VAN PIPPI LANGKOUS

 

Dag Joke van Leeuwen, hier Pip Langkous, je weet wel, de Pippi van toen, die nu racistisch zou zijn, terwijl ik anarchistisch was en onbeschaafd en zo. ‘Beschaafd’ betekende ooit ‘gladgemaakt’. In het Javaans is het woord blijven hangen in ‘beskap’, waar een Europees nauwsluitend colbertje mee wordt aangeduid. Dat wist ik niet toen ik nog Pippi heette. Ik wist zoveel niet, maar ik was als zelfstandig meisje al wel handelingsbekwaam, terwijl Vlaamse en Nederlandse getrouwde vrouwen dat in die tijd niet mochten zijn. Die tijd: dat waren de jaren veertig van de vorige eeuw, toen Astrid Lindgren mij verzon, en begin jaren vijftig toen het eerste boek over mij in het Nederlands verscheen. Daarin kon je lezen dat ik in mijn eentje in een villa leefde omdat mijn moeder was gestorven voor ik me haar kon herinneren en mijn vader was verdronken op zee. Kortom, ik had een positie die in eigenwijze kinderboeken wel vaker voorkomt: ik was onafhankelijk, zonder gezeur om me heen over wat ik moest kunnen en weten om een welopgevoede volwassene te worden. Brave kinderboeken zijn vervelend. Ze mogen van jou toch ook iets subversiefs hebben, iets van dat lichamelijk en geestelijk op je hoofd staan?

Ik moest me destijds handhaven in een wereld waar ik de finesses niet van kende. Het waren de jaren waarin de Eerste Feministische Golf vergeten leek en de Tweede nog moest komen. Ik was een kind, en volwassen vrouwen werden toen als hálve kinderen beschouwd. Jij weet dat nog, het stond in een voorlichtingsboekje: ‘De vrouw staat tussen het kind en de man in’. Dat zeiden ze ook van de gekoloniseerden. Ik was een meisje, maar ik was sterker dan een volwassen man, terwijl de vrouwen, die iedereen met veel kracht op de wereld hebben gezet, toen nog ‘het zwakke geslacht’ werden genoemd. Grotere jongens pestten mij om mijn rode haren en mijn verschillende kousen. Ze wilden dat ik ging huilen, maar ik smeet ze ondersteboven de bosjes in.

 

Misschien had ik alleen in dat eerste, meest sprankelende boek over mij moeten rondwandelen. Over de films ga ik het trouwens niet hebben, die zijn anders. Ik heb het over mijn boeken. Het eerste was er zo-een waarin de vaste hiërarchieën op hun kop werden gezet. Ik was een bemiddeld kind, leefde samen met een aapje en een paard en was niet onder de indruk van volwassenen die indruk wilden maken. Ik had geen greintje hiërarchisch gevoel.

De buurkinderen, Tommy en zijn schijterige zusje Annika, vonden mij eerst vreemd, met mijn andersoortige kleren en zo, maar door mij ontdekten ze dat vreemd leuk kan zijn. Had dát niet op het omslag van mijn boeken geplakt kunnen worden? Dat vreemd leuk kan zijn?

Ik had nergens geleerd hoe ik me beschaafd moest gedragen als ik bij de buren op de thee was. Daar werd ik soms een beetje verdrietig van, omdat ik op onbegrip stuitte, maar ja, jij weet toch ook dat dat relatief is? Ik zie je nog zitten in Sri Lanka, ergens in een personeelskamertje. Wat hadden die anderen een lol toen je heel onaangepast je suikerklontje in je thee liet vallen, terwijl je dat in je ene hand had moeten vasthouden en je kop thee in de andere. Slok, knabbeltje, slok, knabbeltje, zo had je het van hen moeten doen.

Wat ik in dat eerste boek over andere landen heb gezegd, was allemaal verzonnen, hoor. Ik zei dat ze in Argentinië nooit huiswerk hadden, in Brazilië een ei in hun haar droegen, in Egypte achteruitliepen en in Kongo met een K aan het liegen waren. Dat laatste klonk dus racistisch, heb ik begrepen, maar konden het niet evengoed de kolonialen zijn die daar zo aan het liegen waren, want die hadden er destijds toch de macht? Misschien zijn er mensen die mijn verzinsel over dat achteruitlopen ook te gevaarlijk vinden voor in een kinderboek, met al dat toegenomen verkeer van tegenwoordig.

Kinderen denken van alles wat niet klopt, maar je mag hopen dat ze, als ze eenmaal volwassen zijn, meer weten en meer inzicht krijgen en geen dingen geloven zoals dat er in vaccins chips verstopt zitten. Toen jij als jong kind in Amsterdam woonde en een meisje je onderweg naar school vaak pestte, omdat haar ouders katholiek waren en die van jou protestants, toen concludeerde je in jouw kleine hoofdje dat álle katholieken wel vreselijk moesten zijn, weet je nog? Maar toen je naar Brussel verhuisde en een lerares op het atheneum de vooroordelen over Hollanders op jouw verlegen lijfje plakte en zei dat je maar terug moest gaan naar je eigen land, ervoer je zelf hoe het was om geen ‘jij’ meer te zijn, maar een ‘jullie’. Het kwam goed met jou, zoals het ook geen gevolgen had dat je als kind zo van ‘De beer en de mensen’ van Reiner Zimnik hield, terwijl de Roma, in dat boek ‘zigeuners’ genoemd, worden weggezet als valse leugenachtige woekeraars. Het was je niet eens opgevallen. En toen je dat door volwassenen bedachte liedje zong over Zoeloes die een lieftallige dame opaten, dacht je alleen ‘Wat zijn dat, Zoeloezeten?’, net zoals je bij het avondgebed (‘Heere, houd ook deze nacht, over mij getrouw de wacht’) dacht dat het over een getrouwde wacht ging. Je hield er geen vreselijke vooroordelen aan over. Lag dat ook aan de volwassenen die dicht bij je stonden? Jij had ouders van wie je wist dat ze in de Tweede Wereldoorlog onderduikers verborgen hielden. Jij had ouders die gevluchte Eritrese jongens en anderen die van ver kwamen thuis aan tafel uitnodigden.

 

Ja, misschien had het bij mijn eerste boek moeten blijven, maar series liggen lekker bij veel kinderen. Verwachtingen ingelost krijgen in plaats van verrast worden. Daar houden trouwens ook veel volwassenen van. In deel twee blijkt mijn vader toch nog in leven te zijn en worden de hiërarchieën niet meer op hun kop gezet. Integendeel. Hij was koning, ik zou prinses worden. Is er iets clichématigers dan een meisje dat prinses wordt? Daar was ik natuurlijk helemaal niet geschikt voor, dat bleek wel. In de verhouding tussen mijn vader, alleenheerser van Taka-Tukaland, en de inwoners, was niets meer terug te vinden van enige omkering van vaste hiërarchieën. Dat vond mijn auteur een paar decennia later zelf ook. Het gaf wel een herkenbaar tijdsbeeld. De Britse koningin Elisabeth heerste aanvankelijk over 32 landen, en dat Engels nu een wereldtaal is, komt door dat oeverloze Britse imperialisme. De jonge Elisabeth ging gezellig met haar zus in Kenia op bezoek, waar de Engelsen het alleenrecht hadden geregeld op het verbouwen van thee voor de verkoop, zodat ze de inkomsten konden wegsluizen. En Elisabeths vader was ooit keizer van India. En de straten van de Pakistaanse stad Faisalabad werden aangelegd in de vorm van de Britse vlag. En de grootste historische gebouwen in het Surinaamse Paramaribo ademen nog steeds de geest van Hollands kolonialisme. En de Nederlandse prinses Beatrix ging als koningin naar haar overzeese gebiedsdelen, waar het een keer zo hard woei dat haar kapsel er leuk en vlot van werd in plaats van koninginnerig. Laten de kinderen maar te horen krijgen hoe Europeanen vroeger naar andere landen trokken, niet om daar het werk te doen dat anders niet zou gebeuren, maar om er hun macht en hun cultuur te laten gelden. Heb jij daar op school iets over gehoord? Nauwelijks? Dat zal nu toch wel beter zijn? Jij kreeg Vaderlandse Geschiedenis, eerst in je eerste vaderland, daarna in je tweede. En de inhoud daarvan verschilde nogal, vooral toen het over de tijd rond 1830 ging. Kwestie van maar één perspectief. Jij kreeg er twee. Maar er zijn er zoveel meer.

 

Mijn vader werd koning over 126 mensen. ‘Negerkoning’ stond er eerst in dat boek over mij. Het n-woord was toen nog een gewoon woord. De grote burgerrechtenactivist Martin Luther King zei ‘negroes’ in zijn fantastische speeches, terwijl de FBI onder J. Edgar Hoover hem in elke hotelkamer afluisterde om te proberen hem pootje te lichten. Die Hoover kreeg een borstbeeld, daar kun je zijn onder-de-gordelse praktijken niet aan afzien. Nu moeten we ‘wit’ en ‘zwart’ zeggen, maar ik denk dat dat in de toekomst wel weer wat anders zal worden, want niets klinkt meer tegenovergesteld dan wit en zwart, terwijl het in feite een kwestie is van enig verschil in hoeveelheden pigment, ware het niet dat er vanuit dat verschil de goorste dingen zijn gedaan.

Maar goed, ik werd dus prinses, en de kinderen van Taka-Tukaland bogen voor mij. Dat hadden volwassenen zo bedacht, maar wist ík veel, ik dacht dat ze dingen aan het zoeken waren op de grond en ik wilde meedoen. Ik heb altijd graag met hen willen spelen, dat heb ik vaak gedaan. We spuugden, ja, maar niet naar elkaar. We spuugden om te zien wie het verst kon spugen.

Mijn vader en ik hadden een soort raffiarokje aan. Eerlijk gezegd dacht ik geen moment dat dat iets racistisch was of zo. Het zat gewoon veel lekkerder dan Zweedse kleren. En die rokjes waren heel ecologisch en zonder uitbuiting in elkaar gezet. En de lemen woningen in Taka-Tukaland werden weliswaar beschreven alsof ze bij de minste bui konden verpappen, maar weet je wel dat leem het bouwmateriaal van de toekomst is? Het is ecologisch verantwoord, het is brandveilig, het stabiliseert vocht, reguleert temperatuur, accumuleert warmte en heeft geen kille uitstraling, ik bedoel maar.

 

De tekenaar Carl Hollander maakte de illustraties bij de Nederlandstalige uitgave van de boeken over mij. Die tekeningen mogen niet meer van de Erven. De Erven willen dat alleen de oorspronkelijke Zweedse tekeningen worden gebruikt, terwijl ikzelf die van meneer Hollander mooier vind. Maar ja, de Erven hebben mij niets gevraagd.

Het is zeker waar dat Carl Hollander de hiërarchie niet op z’n kop heeft gezet. Ik denk dat hij zich heeft laten inspireren door foto’s uit het toenmalige Nederlands-Indië, nu Indonesië. Op veel van die foto’s zaten Nederlanders ontspannen op hun terras en liepen Javanen hen te bedienen met van alles en nog wat. En hij tekende een Taka-Tukakind met een botje door de neus. Daarmee voldeed hij aan een cliché uit de jaren vijftig. In die tijd dachten ze hier nog dat vrijwillige tatoeages iets waren voor mensen van lager allooi. Gelukkig hoeven we de lezende kinderen daar nu niet meer voor te waarschuwen, want ontelbare witte onderarmen, ruggen en nekken zitten inmiddels vol met al dan niet geslaagde huidtekeningen, en wie zijn neus wil versieren, kan dat gewoon doen. Een ringetje tussen de gaten, een diamantje aan de vleugels, waarom niet ook eens een subtiel verguld botje. Dus wat dat betreft zullen de kinderen er niets naars aan overhouden, zoals ook jij niet meer gebukt gaat onder een raar beeld van de Zoeloezeten.

Dan is er nog die latere scène waarin Tommy en Annika mee zijn gegaan naar Taka-Tukaland en Tommy een dolk cadeau krijgt met een glanzend parelmoeren handvat. Zijn daar reacties op geweest? Omdat dat kinderen op het idee zou kunnen brengen om ook met zoiets over straat te gaan lopen, zoals zoveel jongeren dat al doen met messen? Hoewel, de kinderen die op zo’n idee komen hebben dan tenminste een boek gelezen. Ach, het is niet omdat Tommy met een echte dolk rondloopt, dat je álle kinderen moet verdenken van dezelfde intenties. Het is toch ook niet omdat in opsporingsprogramma’s op tv 95 procent van de daders een man is, dat we álle mannen van misdaden gaan verdenken? Dat zouden mannen terecht heel beledigend vinden.

En o ja, dat ene zinnetje nog: dat ze in Taka-Tukaland tevreden waren met wat ze hadden. Daar kleven ook oude beelden en ideeën aan vast, uit de tijd dat er voor ‘de arme kindertjes’ chocoladewikkels werden gespaard, nadat alle chocola eruit was weggehaald. En die chocola was niets vergeleken bij wat er allemaal uit die landen werd weggehaald. Het idee dat zij daar met weinig tevreden waren en wij almaar meer nodig hadden hielp mee om scheve beelden over andere plekken op de wereld te creëren. Andersom ook trouwens. Trok jij in Tanzania niet een paar dagen op met die jonge Tanzaniaanse die bij Unicef werkte, omdat je van de regisseur en de cameraman met wie je opnames maakte niet veel wijzer werd, behalve dat die regisseur in de hal van het hotel keihard stond te vloeken over de in zijn ogen te langzame fucking lift? Die meid, met wie je goed op kon schieten, dacht dat alle Europeanen leefden zoals ze hen in Tanzania zag leven, in een groot vrijstaand huis met vijf bedienden en een nachtwaker. Ze kon zich niet voorstellen dat er witte vuilnismannen bestonden, laat staan árme witten.

Dat ene zinnetje mogen we ons hier aantrekken sinds een halve eeuw geleden het rapport ‘Grenzen aan de groei’ van de Club van Rome verscheen. Ik heb trouwens altijd in oude kleren rondgelopen terwijl ik stinkrijk was, en veel koekjes en snoepgoed met andere kinderen gedeeld. In mijn jeugd zei niemand dat dat slecht was voor je metabolisme en je brein.

Maar goed, wat die poppenkast in Taka-Tukaland betreft: de meeste stereotypen gaan over wie iets heeft dat anders is in de ogen van wie denkt dat hij zelf niet anders is. Ook notoire dwarsdenkers als de mannen van Monty Python konden over vrouwen of homo’s opeens stereotiep doen. En dat terwijl een van de heerlijkste dwarse scènes uit hun film ‘Life of Brian’ komt, waar een massa mensen achter Brian aanloopt en alles wil geloven wat hij, hun messias, tegen hen zegt. Als uit één mond herhalen ze zijn woorden: ‘Yes, we are different! We are all individuals!’, waarop er eentje roept: ‘But I’m not!’

 

Overigens, de inwoners van Taka-Tukaland hebben mijn vader al decennia geleden verdreven. Het eiland is nu onafhankelijk en heeft een parlement waar alle inmiddels tweehonderd inwoners in zitten, wat heel goed werkt om misverstanden, verkeerde beslissingen en gebrek aan kennis over wat er op het eiland werkelijk gaande is, te voorkomen. Ze hebben een jonge, vrouwelijke president verkozen, en ze leven voornamelijk van toerisme en visserij, al is het niet eenvoudig om opdringerige varende megavisfabrieken uit hun wateren te houden. Raffiarokjes dragen ze niet meer, alleen om soms even voor de toeristen wat met hun heupen te wiegen, zodat die denken dat ze iets authentieks meemaken. Ze houden daarbij wel hun, van de inkomsten uit het toerisme aangeschafte, Rolexen om, want ze willen in deze wereld vol machtszoekerij graag blijven weten hoe laat het is.

En ik, de Pippi van toen, ik ben nog steeds niet echt aangepast. Ik draag nog steeds wat ik wil, al vinden anderen mijn kleren vreemd. Ik zeg nog steeds wat ik vind. Ik huil nog net als vroeger om dode babyvogeltjes, maar ik zal nooit huilen als iemand mij beledigt. Ik gooi zo iemand ondersteboven, zodat die alles eens vanuit een ander perspectief kan bezien. Want wát jou ook wordt aangedaan, je kunt zelf kiezen welke houding je ertegenover aanneemt. En ik, ik buig voor niemand.

 

JvL10/2021

 

 

HET GEWEER IN HET FOEDRAAL

 

Dit is een verkorte versie van een lezing die ik hield aan de Groningse universiteit (meer Noord-Nederlandse voorbeelden). Ik hield en houd die niet om eens een pikant onderwerp bij de kop te pakken, maar omdat ik denk dat er het een en ander op te merken valt over beschrijvingen van heteroseks in romans van alom gewaardeerde auteurs. De titel haal ik uit een scène in de roman ‘Grand Hotel Europa’ van Ilja Leonard Pfeijffer.

De vrouw in kwestie is volwassen en kunsthistorica van beroep.

 

‘Ze aaide hem met de zachte zomerbries van haar tergend kleine handje. () Ze duwde haar kutje met kontje en al met een feilloos richtingsgevoel achteruit. Ik gleed in haar als een geweer in een foedraal.’

 

De vrouw staat in die scène voorovergebogen, leunt met twee handen op een tafel en wordt meteen gepenetreerd. En ze komt al gauw klaar, volgens de tekst, wat me doet denken aan een versje van Ivo de Wijs: ‘Toe, bespaar me het gehaspel/van het voorspel en het naspel’.

 

Kort na deze verkleinwoorden voor de kunsthistorica komen er over haar nog de woorden ‘hertje’ en ‘lijfje’ langs.

Misschien zijn er lezers die dit schattig vinden, maar het kinderlijk maken van volwassen vrouwen vind ik, evenmin als dat bij gekoloniseerden het geval was, niet onschuldig. Nog in een voorlichtingsboekje dat ik als meisje las, werd beweerd dat de vrouw tussen kind en man in stond. De enige echte volwassene was dus de man. De gehuwde vrouw was voor alles afhankelijk van de man. Ze mocht geen geld beheren, behalve het huishoudgeld dat ze kreeg. In Vlaanderen kwam in 1958 deels een eind aan de wettelijke handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw, dankzij voorloper François Laurent en het parlementslid Isabelle Blume-Grégoire. In Nederland zorgde het ongehuwde Tweede-Kamerlid Corry Tendeloo dat daar in 1956 een eind aan kwam. Omdat ze ongehuwd was werd ze een ‘onvolkomen mens’ genoemd. Dus ongehuwd was je onvolkomen en gehuwd was je handelingsonbekwaam. Daarna bleef nog een tijd in de wetboeken staan dat de vrouw aan haar man gehoorzaamheid was verschuldigd, en de man haar had te beschermen. Typisch een verhouding zoals tussen een onvolwassene en een volwassene, een afhankelijke en een zelfstandige. Toen de volledige wettelijke gelijkheid van man en vrouw binnen het huwelijk zowel in Nederland als in Vlaanderen werd vastgelegd, was ik al een twintiger, die met mentaliteitsgeschiedenis enige moeite haar eigen naam binnen het huwelijk had weten te bewaren.

Kortom, het schattige man-meisjegedoe vind ik niet echt onschuldig.

 

Tegelijkertijd refereert de beeldspraak van Pfeijffer, met dat geweer in dat foedraal, aan oorlog en strijd. Dat lees ik vaker, bijvoorbeeld bij Christiaan Weyts in zijn roman ‘Art. 285B’: ‘schoksgewijs kwam zijn lid in gevechtspositie’.

Het beeld van het foedraal wijst ook op een passief ontvangend, afgesloten omhulsel. Datzelfde beeld vinden we terug bij Harry Mulisch in zijn ‘De ontdekking van de hemel’. Daar legt hij een vrouw (!) het volgende in de mond: ‘Dat mannen er steeds op uit waren, lag aan hun natuur, in hun positieve, naar buiten gekeerde bouw: een penis was als de vinger van een handschoen, maar de vagina was als een naar binnen getrokken handschoenvinger, en dat ook sommige vrouwen seksueel geobsedeerd waren was haar een raadsel’.

Kortom, net als bij de beeldspraak van het foedraal, wordt de autonomie van dat open geboortekanaal als het ware geannexeerd. Bovendien is het logisch dat niet daar al haar zenuwuiteinden zitten, want dat zou nogal wat géven tijdens het baren. Het woord vagina kent, op één hoop gegooid met het woord vulva een stuk of negen synoniemen, terwijl het anatomisch equivalent van het mannelijk geslachtsdeel, het binnenin zo’n tien centimeter doorlopende zwellichaam de clítoris, ook clitóris genoemd, behalve het vernederlandste ‘kittelaar’ geen enkel synoniem heeft. De penis kent volgens het internet 144 bijnamen.

 

Aan de Universiteit Utrecht werd het initiatief genomen tot een databank die in eerste instantie uitging van de literatuur die voor de Librisprijs van 2013 was opgestuurd. Geturfd werd welke beroepen de personages in die verhalen bekleedden. Niet alleen bleken de meeste beroepen van de mannelijke personages meer status te hebben dan die van de vrouwen, ook bleek bij de vrouwelijke personages het beroep van prostituee al de tweede plaats in te nemen.

Eigenlijk was voor mij destijds de aanleiding om over dit onderwerp iets op te schrijven mijn verbazing over de titel van een van de romans van Tommy Wieringa: ‘De heilige Rita’. De Rita in het boek is een prostituee. Ik moest meteen weer denken aan wat men in mijn jeugd nog steeds niet had verleerd, namelijk om vrouwen te categoriseren als ofwel heilige ofwel hoer, om te spreken van het zuivere of het onzuivere meisje en haar gewenste kuisheid tegenover haar ontembare begeerte te zetten.

Meermaals gebruikt Tommy Wieringa in die roman het woord liefde in verband met prostitutie, zoals in de volgende twee regels:

 

‘Wie meende dat liefde waar je voor betaalde niet kon bestaan, kende hun vurige harten niet’

 

‘Drinken, drinken en de liefde die voor het oprapen leek’

 

Ik las in die tijd als research voor mijn laatste roman ‘Mijn leven als mens’ – ja, zo verhoog ik ook het percentage in zo’n databank – interviews met prostituees, die bijvoorbeeld gingen over de kwetsbaarheid van hun klanten, eenmaal ontdaan van stropdas en de rest. Uiteindelijk ging het steeds over het volkomen gebrek aan enige status van hun beroep. Nergens ging het over liefde.

 

In maart 2019 verscheen in het Nederlandse dagblad NRC een artikel van auteur en publicist Mariët Meester onder de kop ‘Wéér die hoeren, weg met MeToo in de boekenkast’. Ze had ‘In ongenade’ van J.M.Coetzee herlezen, en al wordt het hoofdpersonage later min of meer gestraft voor zijn gedrag, vooral in het begin dacht ze: wéér een oudere man en een jonge vrouw, een klassiek thema, oké, dat wist ze ook wel. En weer eerst een sekswerkster met wie hij iets bijzonders denkt te hebben, en dan de studente die hij zijn bed in krijgt. Ze vraagt zich af of MeToo haar blik heeft veranderd. Want MeToo ging en gaat natuurlijk niet over niet meer mogen flirten, wat sommigen suggereerden, maar over macht.

In de roman ‘Vals licht’ van Joost Zwagerman gaat het ook over een prostituee met wie de hoofdpersoon een bijzondere band bespeurt. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat in zulke verbeelding iets zit van dat willen beschermen, misschien zelfs redden, van zo’n beschikbare vrouw zonder eigen status.

Maria Vlaar werkt onder meer voor de Standaard der Letteren. In een andere krant schreef ze eens hoe verbluffend eenzijdig ze het beeld van de vrouwelijke seksualiteit in veel fictie vond. Ze las een verhaal van een veelgeprezen mannelijk auteur waarin een vrouw zich probeert voor te stellen hoe ze seks heeft met een kersverse minnaar, en wat ze las beschrijft ze als: ‘Hij buigt zich over haar heen, ‘neemt’ haar zonder dat de rest van zijn lichaam haar aanraakt en dan is het raak: ze komt ‘glorieus’ klaar’.

Grote kans dat zulke boeken, waarin de vrouw vooral object is van mannelijke lust, en dat op een ongelijkwaardige manier, ooit even ouderwets zullen lijken als nu de negentiende-eeuwse fictie met bordurende vrouwen die verveeld dan wel hysterisch binnen zitten.

 

Vaak blijken vrouwelijke personages niet tot echte persoonlijkheden uit te groeien en wordt meer over hun uiterlijk geschreven dan over hun innerlijk. Zo worden ze geseksualiseerd en gaan ze ook nog eens steevast dood op het eind, misschien omdat het leven daarna anders te gewoon zou worden. Dit overkomt bijvoorbeeld de jonge Consuela die een verhouding heeft met een oude professor in ‘The dying Animal’ van Philip Roth. En het overkomt Olga, de geliefde in Jan Wolkers’ ‘Turks Fruit’.

Vijftig jaar na de eerste publicatie werd er over die roman een documentaire gemaakt, waarin het onder meer ging over Olga als ideaalbeeld, geschapen door de mannelijke hoofdpersoon. In die documentaire merkte literatuurwetenschapper Maaike Meijer op dat Olga het hele boek door maar één keer echt aan het woord is, namelijk als ze zegt dat ze zich opgesloten voelt en dat hij haar wel zeven keer per dag penetreert. Rustig even koffiezetten is er niet bij. Hij ziet haar kortom niet echt, het gaat alleen over zijn eigen beeldvorming.

Als Olga weg is – ook zij zal later sterven – ‘ramt’ hij (dat werkwoord gebruikt Wolkers) de ene vrouw na de andere, wat hij op een dusdanige manier beschrijft dat Maaike Meijer met een lachje opmerkte: ‘Elke vrouw die dat leest zou na twee bladzijden zeggen: “Nou heb ik het wel gehad met deze meneer”.

 

De toenemende kritiek, zeker sinds MeToo, op die overheersende mannelijke blik, riep ook reacties op. Mario Vargas Llosa schreef in 2018 in El País een artikel onder de titel ‘De nieuwe inquisitie’. Na religie, communisme en fascisme was feminisme nu de grootste dreiging, want die feministen keerden zich tegen de machoschrijvers, terwijl alles geschreven moest kunnen worden, ook het krankzinnige, aldus deze auteur.

Intussen is er een verschuiving gaande, waarbij meer vrouwelijke schrijvers andere perspectieven bieden, niet meer gehinderd door de dominantie van auteurs als Vargas Llosa, of Vladimir Nabokov, auteur van de roman ‘Lolita’ over de verhouding van een volwassen man met een twaalfjarig meisje. Nabokov vond dat vrouwen niets te zoeken hadden in de literatuur. Ja, er is al veel verschoven. Nogal wat jonge vrouwelijke schrijvers zijn lesbisch of genderneutraal, en je kunt je niet meer voorstellen dat een jaar of zeventig geleden een schuchtere toenaderingsscène tussen twee jonge vrouwen in Anna Blamans ‘Eenzaam Avontuur’, waarbij ze elkaar tijdens het dansen even vluchtig een kus gaven, door een recensent morbide werd genoemd.

 

De vraag is nu allang niet meer of het schokt, maar hoe en vanuit welk perspectief het is geschreven. En of het effect heeft op de lezer of eerder op de lachspieren werkt.

Vaak gaan beschrijvingen van seks mis als er te veel metaforen tegenaan worden gegooid.

Sinds 1993 bestaat in Groot-Brittannië de Bad Sex Award, voor de in de ogen van de jury slechtste seksbeschrijvingen in literaire romans. Bij de genomineerden voor 2018 en 2019 was er een auteur die de vagina vergeleek met een boa constrictor die een prooi inslikte, wat doet denken aan de mythische vagina dentata. Een ander schreef: ‘(Zijn) penis en ballen werden één heuvel, rondrollend in de greep van haar hand. (Ze) had het gevoel dat ze een aapje betastte dat zijn pootjes opkrulde.’

Haruki Murakami werd meermaals genomineerd. Hij liet een vrouw slapen, terwijl haar geslacht actief bleef, buiten haar bewustzijn: ‘Yuzu sliep er diep doorheen zonder geluid te maken, gelijkmatig ademend. Toch sloot haar geslacht zich om me heen en liet me niet gaan, alsof het een onwankelbare eigen wil had, vastbesloten elke laatste druppel uit mijn lijf te wringen.’

Dit gebeurt dus terwijl ze er niet bewust bij is. Het doet me weer denken aan ‘De ontdekking van de hemel’ van Harry Mulisch, waarin Ada zwanger is van een van de twee hoofdpersonages, Max of Onno, ze maken allebei een kans. Als ze gedrieën in een auto zitten, valt er een boom op hen, waarbij de mannen ongedeerd blijven, maar Ada in coma raakt. Omdat de zwangerschap wel doorgaat, wordt ze dus feitelijk de bewusteloze broedmachine van een zoon. En dat doet me weer denken aan de film ‘Habla con Ella’ van de uitstekende regisseur Pedro Almodóvar. Twee mannen hebben ieder een vriendin die in coma ligt. De ene man vindt dat niet zo’n probleem, hij wast en verzorgt haar machteloze lichaam. De ander vindt het wel een probleem, want nu kan hij haar niet meer vragen hoe ze over hem denkt. Almodóvar zei te zijn geïnspireerd door twee berichten: over een vrouw die na zestien jaar uit haar coma was ontwaakt en over een jongen die een dood meisje seksueel had misbruikt.

Ja, die Bad Sex Award laat zien dat seksscènes schrijven moeilijk is. Ze werken vaak beter als ze impliciet blijven. Het is moeilijker dan pakweg een landschap beschrijven, zei auteur Gustaaf Peek. Hij schreef de roman ‘Godin, Held’ over een decennialange heterorelatie, achterstevoren verteld.

Peek zei in een interview: ‘Het probleem bij machoschrijvers zoals Hemingway en Philip Roth is dat ze de beide partijen bij heteroseks niet als gelijkwaardig beschouwen. Doodzonde, want als je de vrouw niet serieus neemt – als mens en als seksueel wezen – gaat je seksscène sowieso de mist in.’

Peek had zichzelf restricties opgelegd, zoals: elke uiteenzetting over het vrouwelijk geslachtsdeel waar fauna en flora aan te pas kwam was absoluut uit den boze.

Gezien de boa constrictor en het aapje van zojuist mag dat wat mij betreft ook voor de man gelden.

 

OVIDIUS ALS RAADGEVER

Hoe maakt een vrouw haar gezicht mooi fris, licht, helder? Ovidius weet het: gepelde gerst en wikke mengen met eieren, daarna aan de lucht drogen en malen, vervolgens wat gestampte hoorn van een bronstig hert erbij, dat alles zeven, er nog wat gepelde en gestampte narcisbollen aan toevoegen, en smeren maar.

Zo praktisch kan Ovidius zijn. En zo aards en vrij is hij in zijn leerdicht ‘Ars Amandi’ (of ‘Ars Amatoria’), oftewel ‘Lessen in Liefde’. Niet alleen de vrouwen, van courtisanes tot gehuwden, geeft hij tips, vooral ook de mannen. Die moeten, wil het een beetje lukken in de liefde, op tijd naar de kapper, geen versleten schoenen dragen, hun tanden poetsen en zorgen dat er geen haren uit hun neus groeien. Slanke vrouwen raadt hij aan schoudervullingen te dragen. Die dingen domineerden de mode een kleine tweeduizend jaar later in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, na het begin van de Tweede Feministische Golf.

Hij vindt het belangrijk dat vrouwen zich ontwikkelen op het gebied van poëzie, theater, muziek en dans. En al wil hij graag dat ze niet overdreven lachen, nederig hoeven ze niet te zijn:

‘Vrouw, bind een gelijke strijd aan! Wie de gunst heeft/ van Venus en haar wijdgevleugeld kind – die wint,

maar weerloos het gevecht beginnen zou voor jullie niet eerlijk en voor mannen zelfs oneervol zijn.’

Dat is andere taal dan wat het nog in 1968 verschenen boek ‘Ik ben verliefd, wat nu?’ aan goede raad meegeeft. Die titel alleen al, alsof je je destijds een hoedje schrok als je verliefd werd en meteen in paniek begon te roepen:’Wat nu?’ Nergens gaat het over gelijkheid, integendeel:

‘Als de vrouw de geestelijk hoger staande is, wordt de situatie heel moeilijk. () Als hij de hoger staande is, zal het hem niet bevallen in de keuken te eten en te wonen; is zij de hoger staande dan zal hij zich in zijn eigen huis altijd op bezoek voelen.’

Ovidius geeft de vrouwen veel tips om aantrekkelijk te zijn voor mannen. Dat kennen we nog steeds. Maar hij doet het wel met een vleug speelsheid en ironie. Wat voor kapsel vrouwen willen hebben, dat moeten zij zelf weten:

‘Zelfs slordig haar flatteert; soms lijkt het wel op pieken/ van gisteren, maar nee – zij legt de kam net weg.’

Dat schrijft hij tweeduizend jaar voor de uitvinding van Out of Bed Gel, waarmee je als je uit bed bent gestapt je haar zo kunt fatsoeneren dat het lijkt alsof je net uit bed bent gestapt.
Een minnares hoeft van hem trouwens niet altijd zoveel jonger te zijn dan de minnaar. Rijpere vrouwen hebben immers het voordeel van de ervaring, wat het plezier alleen maar kan vergroten, zodat hij concludeert:

‘met haar is ’t mingenot voor man en vrouw gelijk’

Hij geeft in ‘Ars Amandi’ alle ruimte aan dat mingenot. Zijn raad klinkt veel bevrijder dan wat ruim negentienhonderd jaar later te lezen valt in een wijd verspreid katholiek raadgevend boekje uit 1922, waarin doodzonden worden opgesomd, zoals deze:

‘Onkuischheid bedrijven; vrijwillig behagen scheppen in onreine gedachten en voorstellingen, onzedige boeken lezen, onzedige theaterstukken bijwonen, enz. om ’t vleeschelijk genot dat men er bij ondervindt.’

Ook bij Ovidius zijn strofen te vinden die je als vrouw doen denken: daar gaan we weer, in de eeuwen der eeuwen. Hij schrijft over verkrachting, en ook de clichés, bijvoorbeeld dat vrouwen van alles willen en de man laten betalen, houden het vol, van Ovidius tot in het lange gedicht ‘Idyllen’ van Ilja Leonard Pfeijffer. Maar het lijkt evenzeer alsof Ovidius zich niet door zijn eigen ideeën wil laten vangen, of hij zichzelf met plezier weer tegenspreekt en zijn blik verandert.
De mannen van Alt-right en van sites waarop vrouwen openlijk gehaat en vernederd worden, die regels uit Ovidius’ ‘Lessen in Liefde’ gebruiken om hun misogynie de schijn van klassieke diepte te verlenen, zullen wel niet volgende citaten uit dat leerdicht kennen:

‘ons vuur blijft vlammen binnen een normale grens’

of

‘Je wint een vrouwenziel vooral door mildheid’

of

‘haar ja is ja bij jou, haar nee is ook jouw nee;’

Hoe herkenbaar dicht Ovidius over de manier waarop je een geliefde zou kunnen vinden. Bij gebrek aan digitale ontmoetingsplekken is het een idee om naar het Forum of het Circus te gaan. Knoop een praatje aan en doe dat liever niet meteen te hoogdravend. Zit je samen met iemand op wie je een oogje hebt naar een paardenrace te kijken, praat dan bijvoorbeeld over die paarden. En als er in hun voorbijrennen wat zand op de tribune terechtkomt, kun je daar volgens Ovidius mooi gebruik van maken:

‘Misschien dat er wat zand opspringt tegen de kleren /van jouw vriendin. Veeg dat dan met je vingers weg,

en spat er nergens zand, dan veeg je toch maar ergens, /zolang je maar een reden vindt attent te zijn.’

En komt het er niet van om samen naar paardenraces te kijken, dan kun je nog altijd een briefje schrijven, met schrijfwas op gladde plankjes. Je moet een ontspannen, eerlijke toon vinden en op je stijl letten:

‘Hoe vaak gaf een bericht een aarzelende minnaar
meer moed, maar deed een slechte stijl de zaak geen goed.’

Nog steeds valt het niet mee om een aansprekende stijl te vinden. Ik citeer zomaar wat aanzetten van elektronische briefjes, zoals die te vinden zijn op de website Relatieplanet:

-Leuk dat je op mijn profiel kijkt. Tsja wat moet je over jezelf vertellen.

 -Wie ben ik? Dat is een goeie vraag.
-Hoi ik ben op zoek naar een leuke vrouw voor een aanvulling in mijn leven.

-Hallo, wat leuk dat ik jou hier online tegenkom.

De vrije seks in Ovidius’ kringen van welvarende mensen in een gouden periode doet denken aan de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen jaloezie een emotie was die meer onder controle leek te moeten worden gehouden dan de lust. Die lust gunt hij ook de vrouwen. Hij geeft het zelfs de spanning van het verbodene mee, zoals in deze regels:

‘() laat je minnaar/ door ’t raam naar binnen, ook al werkt je deur niet slecht.’

En hij weet dat ontrouw het nodige gedonder kan geven. Maar als een vrouw niet van haar man hield, lijkt hij te zeggen, zou ze niet zo’n stennis maken:

‘Vierwerf gelukkig, nee, wel duizend maal meer nog/de man om wie een vrouw uit afgunst tranen schreit

en flauwvalt bij het eerste onverhoopt gefluister/ van overspeligheid, verstomd, verbleekt van smart

Ik wil de man zijn die zij woedend aan het haar rukt,/ de man wiens wangen zij met nagels openrijt,

die zij met blikken vol verwijt door tranen aanziet/ en zonder wie ze niet kan leven – kon ze ’t maar!’

Overspel kan volgens Ovidius de sleur doorbreken. En komt het weer goed, dan is het des te beter tussen de echtelieden:

‘Ook duiven gaan na een gevecht snel snavelzoenen;

 dan is hun zacht en liefdevol gekoer te horen.’

Tweeduizend jaar later bereikt de Belgisch-Amerikaanse psychotherapeute Esther Perel miljoenen met haar boeken en TED-talks over overspel. Niet om het zomaar goed te keuren, maar om te zeggen dat het een teken kan zijn van een verlangen naar onder meer aandacht, autonomie en vitaliteit. Dat besef kan volgens haar leiden tot meer diepte en levendigheid in het eigen huwelijk, dat daarna als een tweede huwelijk met dezelfde persoon opnieuw kan beginnen.

Zelf trouwde Ovidius drie keer, en niet met dezelfde vrouw. En zijn huwelijken zullen niet zonder minnaressen zijn geweest. Hij schrijft immers dat zijn leerdicht op eigen ervaring berust. Ook de toenmaals regerende keizer Augustus veroorloofde zich het een en ander. Toch voerde hij een beleid in dat het conservatieve fatsoen en de familiewaarden in ere moest herstellen. Ovidius’ ‘Lessen in Liefde’ werd na acht jaar verboden. Zulk conservatisme komt telkens weer opzetten, en is op de drempel van de progressieve veranderingen vanaf 1968, in ‘Ik ben verliefd, wat nu?’ nog aanwezig, bijvoorbeeld in het weinig realistische beeld van de gelukkige vrouw die thuis blijft terwijl haar man op zijn werk is:

‘De vreugde waarmee de vrouw wacht op de thuiskomst van de man () is de veiligste barometer voor een goed huwelijk.’

In datzelfde jaar kwam het onbehagen van al die thuiszittende vrouwen massaal naar buiten. Ze konden zich over het algemeen ook niet, zoals in Ovidius’ kringen, kamermeisjes, huisbewakers en ander personeel veroorloven. Ze moesten hun heil vinden in zwabber en dweil. En zelf koken. En wat raadt het boek de jonge man aan:

‘De jonge man moet er van tevoren in berusten, dat zijn vrouw niet alle gerechten zo kan klaarmaken als zijn moeder het doet.’

Keizer Augustus probeerde vergeefs per wet het huwelijk te verplichten en het baren van kinderen te stimuleren. Zijn eigen dochter Iulia ging daar niet in mee. Dergelijke pogingen om van vrouwen vooral baarmachines, liefst van zonen, te maken, ondernamen wel meer heersers. En hoe het heersende katholicisme daar begin vorige eeuw nog over dacht vinden we terug in dat boekje uit 1922, dat vrouwen aanspoort veel katholieke kindjes te baren:

‘Een of twee kinderen, daarmeê uit: kan geen ander gevolg hebben dan eene opvoeding van ’t begin af bederfelijk.’

Zo gaat de slinger van veranderingsgezindheid en behoudendheid heen en weer. Al tweeduizend jaar. Op z’n minst.

-Ovidius, Ars Amandi, Lessen in liefde, vertaling M. d’Hane- Scheltema, Amsterdam, 2004 -I. en G. Hoppe, Ik ben verliefd, wat nu?, Kampen, 1968
-J. Nysten, Wat Trouwlustigen en Gehuwden moeten weten, Kortrijk, 1922

 

Youtube: Joke van Leeuwen gadgetexport (New York); 2016 VPRO; YouTube KANTL Hoge Fronten etc.

 

VANGEN/ONTVANGEN
pleidooi voor poëzie 2020

‘Poëzie is de kunst de zee te vangen in een glas’ schreef de Italiaanse auteur Italo Calvino. De zee in een glas. Lees maar, er staat meer dan er staat. Jazeker, je probeert al dichtend iets te vangen, maar er is ook zoveel ongrijpbaars bezig als je aan het schrijven bent dat het proces evengoed kan lijken op óntvangen.
En nu wordt er van me verwacht dat ik een goed woordje doe voor de poëzie, ik heb er zelfs het woord pleidooi voor aangereikt gekregen. Vergeef me dat ik na zeventien jaar juridische toestanden vanwege ongegrond beschuldigd worden een beetje zenuwachtig word van het woord pleidooi. Bovendien hoef je niet voor je geesteskinderen op te komen, die redden zichzelf wel als ze wat waard zijn.
Iets anders dan pleidooien houden heb ik wél vaak gedaan: enthousiasmeren. Dat deed ik vooral bij beginnende mensen, bijvoorbeeld kinderen uit stadsdelen die opgezadeld zaten met het woord achterstandswijk. En kinderen die met twee of meer talen opgroeiden, zoals het toen nog jonge volkje dat aan de niet toeristische kant van Aruba woonde. En ik probeer kinderen nog steeds tegenover de taal als probleemgebied de taal als speelterrein te tonen, hun te laten zien en horen dat je op je eigen manier onder woorden kunt brengen wat je in je hersenpan en op je lever hebt, dat het klanken en woorden zijn die je zingt, dat zinnen een ritme kunnen hebben dat je meevoert en dat je ze kunt bewaren in hart en hoofd, waar niemand ze van je af kan pakken.
Hier in Vlaanderen maak ik meer dan eens mee met hoeveel enthousiasme allerlei kinderen die in hun vrije tijd op woordacademies zitten met mijn verzen bezig gaan en dat basale taalplezier uitstralen. In Nederland bestaan zulke woordacademies niet. En de dominantie in onze wereld van neoliberalisme en marktgeloof had daar in mijn ogen meer, in elk geval eerder, gevolgen dan hier, al is het ook hier opletten geblazen, alleen al als we zien hoe snel in coronatijden theateroptredens werden stilgelegd die aan alle voorzichtigheidseisen voldeden. Originele auteurs heetten een kleine twintig jaar geleden opeens elitair, met negatieve connotatie, theatermensen begonnen toen ook hetzelfde te ervaren. Ik merkte dat destijds eveneens. Hypes werden er in mijn ogen sterker dan hier en in de media werd de aandacht voor zowel poëzie voor volwassenen als kinderliteratuur beduidend minder. (Laatst las ik dat in Nederland de laatste top tien van meest uitgeleende kinderboeken bestaat uit twee populaire vertaalde series, waaronder ‘Het leven van een loser’, een titel die goed past bij een doorgeschoten prestatiemaatschappij waarin iedereen moet excelleren tot niemand meer excelleert).
Het is voor menig dichter ook aanzienlijk moeilijker geworden om een bundel gepubliceerd te krijgen. Ooit riep ik naar de meer dan tweeduizend mensen die in het Utrechtse Vredenburg naar de Nacht van de Poëzie waren gekomen: ‘Als jullie straks allemaal ten minste twee bundels kopen, zal dat in de verkoopstatistieken van poëzie terug te vinden zijn.’
Ik had het niet geverifieerd, maar hoopte dat ze het deden.

Ieder leven, ook dat van volwassenen die met door stereotypen gevoede afkeer van poëzie rondstappen, is begonnen met de basale, bezwerende kracht van de ritmische versjes die vaak voor een flink deel uit onbegrijpelijke of onbegrijpelijk geworden klanken bestaan. Heel mijn leven ben ik het simpele kinderrijmpje ‘Oze wieze woze’ niet vergeten. In klankversjes zit iets ritueels, iets lichamelijks, maar dat zit evengoed in veel poëzie voor volwassenen. Niet voor niets zei de Engelse dichter John B. Wain: ‘Poëzie verhoudt zich tot proza als dansen tot lopen’. Lopen is hier bedoeld als gaan, hoewel er ook proza bestaat dat kan rennen.
En laat ik nog maar eens een beroemde uitspraak van de beroemde T.S. Eliot aanhalen: ‘Genuine poetry can communicate before it is understood’. Er kan iets gebeuren, iets worden ervaren, lijflijk zelfs, voordat het ‘is understood’. Begrepen. ‘Understood’, of het Vlaams-Nederlandse ‘verstaan’ vind ik hier bruikbaarder dan het Hollands-Nederlandse ‘begrijpen’, want het refereert voor mij aan ergens stil bij blijven staan, terwijl in het woord begrijpen iets weerklinkt van er greep op willen hebben, zoals in het Franse ‘comprendre’. Alsof je als lezer een gedicht kunt vangen, zoals in de te stellige clichévraag: ‘Wat heeft de dichter willen zeggen?’ Wat de dichter heeft willen zeggen is in haar gedicht gezegd. Het woord begrijpen klinkt verstandelijk, terwijl poëzie zoveel meer registers bespeelt, net als die dans van zojuist. En al lezend kun je iets verstaan zonder het misschien in je greep te kunnen krijgen. Zoals Isadora Duncan, een van de grondleggers van de moderne dans, het een eeuw geleden zei: ‘Als ik u kon vertellen wat mijn dans inhoudt, zou ik hem niet hoeven te dansen.’
Ja, ik citeer hier in levenden lijve wel meer dode kunstenaars.
De mooiste manier om over gedichten te schrijven vind ik de tastende, zoekende, opperende, vermoedende, wat meestal leidt tot persoonlijke enthousiasmerende teksten, wat iets anders is dan er –ismes op plakken, arbitraire hiërarchieën in aanbrengen en het met haken en hokken op z’n plek wringen.
De Mexicaanse dichter Jorge Esquinca zei het in een interview zo: ‘Een gedicht kan best een intellectuele inspanning hebben, maar om te beginnen moet het de zintuigen aanspreken. Woorden hebben een gewicht, textuur en geur, een vorm. Ik zie taal als een lichaam, een organisme. Een woord is adem, adem is concreet.’

Veel mensen lezen geen gedichten. Wel worden massa’s gedichten op internet geplaatst die hun larmoyant bedoelde inhoud opvoeren met rechttoe rechtaan gebruik van grote woorden en rijm dat nergens voedend werkt. Zomaar een voorbeeld, geplukt van de site ‘Supermooie gedichtjes’: ‘Leven zonder liefde/is leven met verdriet/leven zonder liefde/is het leven niet/ is het leven zonder jou/en dat kan ik niet/ omdat ik van je hou’. Een sentimentele boodschap vol liefdesverdriet, herkenbaar, daar niet van. Net zo verwoord als in de beroemde popsong ‘Without you’ van Mariah Carey: ‘I can’t lìììììve if living is without yóúóúóú. Joehoehoe.
Er zijn grote dichters die met grote woorden wegkomen, bijvoorbeeld omdat hun toon en woordkeus er geen eenduidige hap van maken. Neem Leo Vroman, ook al gestorven trouwens, hoewel hij het leven heel lang heeft volgehouden. Hij wist uit eigen ervaring wat oorlog was en dichtte in zijn gedicht ‘De laatste wereldvrede’ over zijn verlangen ‘naar vrijheid of desnoods een kopje chocola’.
Het verlangen naar vrijheid en naar chocola, in één regel.
Of neem het verdriet van het afscheid waar Maria de Groot (zij is levend en wel) deze regel over schreef: ‘ik spaar/ bij de rijkspostspaarbank/ grafstenen, grind en goden’.
Hier is de chocola de Nederlandse Rijkspostspaarbank (overigens inmiddels allang geprivatiseerd, zodat de spaarders van die bank zonder het hun te vragen opeens bij de ING hoorden). Mark Boog wijdde er zelfs een hele bundel aan, ‘ De encyclopedie van de grote woorden’, waarin hij die grote woorden met voor iedereen beschikbare aardse taal benaderde. Over het Lot staat er: ‘Was zo dik de jas, zo stijf de broek, zo zwaar het leren schoeisel?’
Zulke woorden kunnen meer worden dan ze zijn, van chocola tot jas, en een betekenis krijgen die pregnanter is dan het clichématig uitventen van oeverloze begrippen. De zee in een glas.
Ik moet denken aan de vriend – auteur en dichter in zijn geboorteland – die vanwege een oorlog moest vluchten. Lang kreeg hij niets meer op papier, omdat wat hij had meegemaakt voorbij de woorden reikte. Het eerste wat weer op papier kwam was iets tussen proza en poëzie in, iets ogenschijnlijk kleins over kevertjes op een kapotte tafel, maar er broeide een hele oorlog onder.
Understanding.

De dichtkunst is bij ons een niche geworden, al zijn er uitingsvormen opgekomen die leven in de brouwerij gaven, zoals slam poetry. Veel dichters mogen blij zijn als de verkoop over de duizend raakt. Vaak genoeg blijft die op veel minder steken, tenzij een machtig tv-programma jou een opkontje geeft. In een consumentenmaatschappij waar kwantiteit als kwaliteit wordt verkocht, doen getallen er vaak meer toe dan al het unieke wat dichters te bieden hebben.
Toen ik een kleine twintig jaar geleden meedeed met een literair festival in de Surinaamse hoofdstad Paramaribo zag ik hoe anders het daar was, hoezeer het publiek hun gewaardeerde dichters Srinivasi en Michael Slory op handen droeg en hoe hun aanwezigheid iedereen verbond. Zij en hun werk waren gekend en bemind en dat lieten de toehoorders met groot enthousiasme blijken.
Omgekeerd zijn er de gedichten en andere literaire uitingen die door dictators en aanverwante types als bedreigend worden gezien, waarna de makers vanwege hun woorden worden opgesloten in gevangenissen of gedood. Dat gebeurde bijvoorbeeld met de Saoedisch-Palestijnse dichter Ashraf Fayadh, die in Saoedi-Arabië de doodstraf kreeg, wat werd omgezet in jaren gevangenisstraf en een lange reeks stokslagen. Op initiatief van de Vlaamse PEN schreven dichters poëzie die aan hem en anderen in eenzelfde situatie werd opgedragen. Ik denk nu ook aan de Vlaamse auteurs die in een opname van PEN met ieder een dichtregel het gedicht ‘Je wacht op me met ‘t stof’ van de inmiddels overleden Chinese Nobelprijswinnaar Liu Xiaobo voor het voetlicht brachten. En ik herinner me wat me vele jaren geleden uit de eerste hand werd verteld, over een gevangen Iraanse dichter wiens werk zoveel mogelijk werd vernietigd, maar vrienden en collega’s leerden zijn gedichten uit het hoofd en konden hem die na zijn gevangenschap teruggeven.
Dat poëzie een bijzonder genre is, merkte ik ook weer toen een echtpaar dat ik niet kende mij vroeg een gedicht te schrijven voor hun in het verkeer omgekomen zoon. Lyriek werkt anders dan een berichtje. Hetzelfde deed ik op haar verzoek voor een vriendin die binnen een jaar twee van haar drie kinderen verloor.
Dus ja, ook gedichten op verzoek of in opdracht kunnen in mijn ogen relevant zijn. Ik herinner me hoe tijdens mijn stadsdichterschap van Antwerpen iemand me bedankte omdat ik met mijn gedicht bij de dood van Wannes Van de Velde iets had geschreven wat hij niet zelf zo onder woorden kon brengen en hoe een ander me liet weten dat hij weende toen het stadsgedicht van een kilometer in de Sint-Annatunnel er niet meer was. En ik denk aan de Eenzame Uitvaart, dat poëtisch ritueel waardoor mensen voor wie geen familie of vriend komt opdagen niet achter de rug van iedereen begraven of verstrooid worden. Op internet staat een monumentje voor hen overeind en er zijn belangstellenden die de gedichten op verzoek in hun mailbox krijgen. De coronacrisis heeft ook initiatieven opgeleverd die duidelijk maken wat poëzie in een samenleving kan betekenen. Zo begon Vonk&Zonen de Gedichtenkrans: dichters die persoonlijke poëzie schreven voor slachtoffers en nabestaanden van Covid-19. Hein Huyghe van Verb(l)ind zette met medewerking van Jelle Van Riet Dichters van Wacht op de rails: twee weken lang konden mensen via een centraal nummer in contact komen met een dichter voor een gesprek en een of meer gedichten. Het bleek een groot succes, duizenden mensen hebben gebeld naar tientallen dichters. Voor ons als dichters was het een bijzondere ervaring. We spraken met kinderen en bejaarden, gevangenen en zieken, alleenstaanden en hele gezinnen. De media besteedden er ook opvallend veel aandacht aan. In De Standaard vertelde Luuk Gruwez wat een verpleegkundige die hij aan de lijn kreeg zei: ‘Mijn handen heb ik de hele dag gedesinfecteerd, maar wat moest ik met mijn ziel?’

Van poëzie houden kan al in de kindertijd beginnen. Zelf herinner ik me dat ik als net zesjarige in ons leerboek – na saaie rijtjes als muur, vuur, guur – een ongetwijfeld simpel gedichtje tegenkwam over een blondje en een bruintje in een tuintje, en dat ik inderdaad een fysieke vreugdereactie in mijn kleine lijfje ervoer omdat ik zoiets moois uit die letters en zinnen tevoorschijn kon halen. Dat blondje en dat bruintje, ik zag er toen twee huidtinten in, niet twee haarkleuren. Zo interpreteerde ik één of twee jaar later ook op mijn eigen manier een protestants gezang dat ik niet echt begreep, maar wel prachtig vond:
‘Als God mijn God maar voor mij is/wie is er dan mij tegen/ dan werken druk en droefenis/ mijn ziele tot een zegen/ dan waakt alom een eng’lenmacht/dan zie ik sterren in de nacht/ en bloemen op mijn wegen’.
Ik kende het woord alliteratie nog niet, maar de druk en droefenis, ziele en zegen, die werkten. En de sterren in de nacht spraken me aan omdat ik met een zusje op een zolderkamertje zonder raam sliep. Die bloemen zag ik in onze boomloze stadsstraat tussen de straatstenen naar boven komen. Dat gezang voor volwassenen ontroerde me als zevenjarige zeer. En ach, als je als kind een regel niet begreep, maakte je er wat anders van. ‘Eis van mij vrijmoedig’ werd ‘ijsvrij van mijn moeder’.
Versjes zijn voor kinderen ook altijd een uitlaatklep geweest in hun afhankelijke jeugdjaren. Ze bevatten vaak subversieve elementen, zoals de beste kinderboeken die kunnen hebben. We kenden bijvoorbeeld ‘Tararaboemdiee/ de dikke dominee/die heeft zijn gat verbrand/al aan de kachelrand’. In de VS bleek een verwant versje te bestaan: ‘Tarara boomdeyay/ there is no school today/ our teacher passed away/ we killed her yesterday’.

Volwassen dichters zoeken beelden die verrassen, die als nieuw klinken. Heel jonge kinderen die nog geen grote woordenschat hebben, doen dat vaak als vanzelf. Ik ben niet vergeten dat mijn inmiddels allang volwassen zoon als klein jongetje ontpitte olijven op tafel zag staan en vroeg: ‘Mag ik ook zo’n naveltje?’ Een dichter probeert ‘als voor het eerst’ te kijken en daarmee de taal van clichés te ontdoen en er zichzelf mee te verrassen, zoals de Ierse dichter Matthew Sweeney eens zei: ‘Als je jezelf niet verrast, hoe denk je dan een ander te verrassen.’
Juist bij volwassen auteurs die veel heftigs in hun bestaan hebben meegemaakt, zie ik dat afpellen naar het begin terug. Dit schreef de Rus Daniil Charms bijvoorbeeld in een van zijn notities:
‘Ik heb erover nagedacht hoe prachtig alles de eerste keer is. Hoe prachtig is de eerste werkelijkheid. Prachtig is de zon, en het gras, en de steen, en het water, en de vogel, en de kever, en de vlieg en de mens. Maar prachtig zijn ook een glaasje en een mesje en een sleutel en een kam.’
Hoe prachtig is trouwens vaak de laatste regel van een gedicht, als die dwars op de voorgaande regels staat, als die verrast en met zijn precisie een lijflijk effect teweegbrengt, dat nazindert in het wit eronder.

Poëzie pelt af tot de kern, poëzie laat woorden als nieuw tot je komen, in poëzie kunnen onverwachte verbindingen ontstaan. Poëzie vraagt om aandacht, om het meegaan in wat zinvol is, maar nutteloos lijkt in een wereld die alleen wat te meten valt en geldelijke winst oplevert de moeite waard lijkt te vinden.
Poëzie kan een tegenwicht vormen voor al die dichtgetimmerde woorden waarmee mensen elkaar om de oren slaan: cultuurmarxist, gutmensch, feminazi, noem maar op. In poëzie kan kwaadheid, wanhoop, humor, liefde, plezier en zoveel meer schuilen, in dagelijkse woorden, in ritme, in klank, in kevertjes, jassen en kammen.
Dit mag een pleidooi heten.
Poëzie heeft geen betweters nodig die er belangrijkdoenerig een krabbenmand van maken, maar enthousiasmekwekers. Die zijn er, ook vaak onder lezers. Ik kwam jarenlang langs een huis gewandeld waar in de vensterbank, tussen ruit en vitrage, een standaardje stond met daarop een opengeslagen dichtbundel. Bijna elke dag een andere bladzij, een andere bundel. En altijd bleef ik even staan om te lezen wat me onderweg werd aangereikt. Als huidig bewoner van een zevende verdieping hoop ik dat er op straathoogte nog ergens zulke vensterbanken mogen zijn, waarop aan de voorbijganger even een kans wordt geboden om stil te staan bij poëzie. Om iets te ervaren, te verstaan, te vangen, te ontvangen.

 

COVID-19 – de eerste lockdown

1.Het is het gras tussen de paar nabestaanden van een gestorvene die iedereen kende.
2.Het is de magnolia (niet genoemd als hoogstnoodzakelijke reden om het huis te verlaten) die om de hoek te jubelen staat.
3.Het is de kerel die zijn fiets parkeert en de kubus met eten dat hij zelf niet lust van zijn zwetende rug haalt.
4.Het is de blauwe plek op het gezicht van de verpleegster die de hele dag te strakke mondkapjes draagt en twee kinderen heeft.
5.Het is de etalagepop die in een beroemde winkelstraat een avondjurk met glitters showt voor drie mussen en een verdwaalde kat.
6.Het is het mos tussen de tegels van een caféterras dat een winter lang lag te wachten op de eerste echte lentedag.
7.Het is de schooljuf die digitaal het boek blijft voorlezen waar ze in de klas mee was begonnen, want wie wil er niet weten hoe iets wat begonnen is afloopt.
8.Het is alleen zijn tussen geduldige meubels en boeken met vergeten zinnen en hardop tegen jezelf praten, ook als je geen antwoord verwacht.
9.Het is de herinnering aan de kranten die een grootvader tot toiletpapier scheurde, aan kinderbillen afgeveegd met wereldnieuws.
10.Het is een ochtendlijke vogel midden in de stad die niet wordt overstemd.
11.Het is het eindelijk opruimen van een kast en iets terugvinden waarvan je dacht dat je het voorgoed kwijt was.
12.Het is de lege kassa in de verlaten winkel, vol uitgestald serviesgoed dat kan breken.
13.Het is de oude vrouw die niet snapt waar de kleinkinderen blijven, want die heeft ze toch, ja toch, of niet?
14.Het is het balkon als podium voor een lied dat de buren kunnen meezingen.
15.Het is ’s avonds merken dat de voordeur de hele dag op het nachtslot is gebleven.
16.Het is het gezin dat opeens niet goed meer in één woning past.
17.Het is de lege kerk waarin het Gaat thans heen in vrede nog tussen de pilaren hangt.
18.Het is de laatste van overheidswege toegestane geile zoen die nog aan de lippen zindert.
19.Het is

maart 2020

GEDULD

als die venijnige
ijzerenheinige
virusjes die je niet ziet

als die rondhoppende
in de war schoppende
piepkleine stukjes verdriet

weg zullen kwijnen
en daarna verdwijnen
dat nergens nog één overschiet

dan zal ik je kussen
maar ja, ondertussen
doe ik dat maar niet

april 2020

 

here

covideng